Gevlucht voor de politie en nu bang voor herkenning
Het was gisterochtend. Ik had me voorgenomen zelfmoord te plegen. Ik liep om vijf uur naar het spoor. De mensen die ik tegenkwam, keken me al raar aan. Toen ik nog dertig meter moest, besloot ik het niet te doen. Toch wilde ik even op het spoor hebben gestaan, hebben ervaren hoe dat voelde. Ik moest nog naar rechts en dan was twintig meter verder het spoor. Ik keerde me naar rechts en zag dat er een auto uitkwam. Ik draaide gelijk om en liep terug zoals ik gekomen was. De auto minderde vaart naast me en de vrouw bleef aandringen me thuis te brengen. Ik bleef zeggen dat ik dat niet wilde en uiteindelijk belde ze de politie. Ze moest echter een adres opgeven om ze op te wachten, dus reed ze nog honderd meter verder en stopte bij een huis. Ik greep mijn kans en rende terug. Ik moest honderd meter rennen dan kwam ik bij de spoorwegovergang. Dat was rechts, links was een bruggetje met een donker, maar bekend paadje erachter. Ik was heel bang dat ze terug zou rijden, want dan zou ze me zeker inhalen. Niemand wist van mijn suïcidale gedachten en ook niemand zou dat mogen weten, zeker niet via de politie. Ik haalde het bruggetje en liep erover. Ik kon niet meer sprinten, dus ik ging snelwandelen. Ik liep er nog geen vijf meter en hoorde toen achter me de trein voorbij rijden die ik had willen halen. Na ongeveer dertig meter, een kwart van het paadje, zag ik achter het bruggetje lichten van een auto. Ik ging gelijk naar links, naar één van de vijf huizen die aan het paadje stonden. Ik liep er, niet wetend naar wat op zoek, omheen en kroop uiteindelijk de heg in. Ik zat er net in, tegen het hek aan en iedereen met goede ogen zou me kunnen zien. Gelukkig was het donker. Ik hoorde mensen voorbij het huis lopen en fietsen, ik was er ongeveer twintig meter vanaf. Minstens twee keer per minuut hoorde ik iemand langs de tuin lopen of fietsen. Ik was bang gevonden te worden. Ik voelde me als een op de vlucht geslagen gevangene die als hij zou worden gevonden gelijk zou worden geëxecuteerd. Ik durfde niet te bewegen, want dan kon iedereen de heg langs mijn jas horen. Ik zat tegen een tak, die probeerde me eruit te duwen, omdat ik hem in een gekke positie had gebracht. Na een paar minuten durfde ik één hand te bewegen en bracht hem naar mijn gezicht. Mijn hand trilde helemaal, wat ik niet eerder had kunnen voelen. Alles trilde eigenlijk, maar werk tegengehouden door mijn omgeving. Die hand was ook koud, mijn kont was koud en nat door het grint, mijn benen waren stijf door de rare positie van mijn lichaam, mijn benen waren koud en mijn bovenlichaam was veel te warm, door de spanning. Ik schatte dat ongeveer tien minuten voorbij waren gegaan en nog steeds hoorde ik steeds mensen voorbij komen. Ik zou, alsof ik heel belangrijk was en mensen op wacht zouden staan, tien minuten niets moeten horen voordat ik eruit zou komen. Toen besefte ik me dat ik die hele tijd geen mensen had gehoord, alleen aan het begin liepen ze heen en terug. Het geluid wat ik steeds had gehoord en wat me bang had gemaakt, werd veroorzaakt door de bamboe deur twee meter van me vandaan, die kraakte. Toen ik schatte dat ik er twintig minuten zat, kwam ik er heel voorzichtig uit. Ik strekte mijn pijnlijke benen en liep heel behoedzaam terug naar het pad. Voor de zekerheid, het voelde echt alsof ik werd gezocht, ging ik niet over het pad lopen, want daar stonden lantaarnpalen. Ik ging dus ongeveer vier meter van het pad lopen, vlak langs het water en door het natte, hoge gras. Mijn schoenen waren gelijk doorweekt en ik had koude voeten. Ik voelde me nog steeds opgejaagd, maar deed zo stil mogelijk. Toen ik eindelijk bij de grote weg was voelde ik me weer redelijk veilig, een klein beetje. Toen ik een buurtje in was gedoken voelde ik me echt weer een beetje veilig. Mijn enige kans op problemen was nog dat mijn moeder had ontdekt dat ik weg was.
Ik kwam thuis en er brandde geen licht; ik was veilig. Ik trilde niet meer fysiek, maar ik had nog wel dat gevoel. Mijn lichaam trilde niet, maar mijn geest nog wel. Ik had voor het eerst weer wat angst gevoeld, als een zebra die zich verstopte voor een kudde leeuwen. Ik was echt op de vlucht voor de politie. Ik had precies zoiets altijd al willen meemaken, vluchten voor de politie. Nou, het is gebeurd en het was minder leuk dan verwacht, alhoewel het ergens toch ook wel weer leuk en gaaf was.
Nu heb ik nog steeds dat ik bang ben voor elke vreemde vrouw. Elke vrouw die ik niet ken, iedereen die me verrast en elke auto die ik tegenkom, ben ik bang voor. Ik kijk altijd meteen of zij het is. Ik kan niet meer normaal slapen, zie steeds het moment voor me dat zij me aansprak. Natuurlijk had ze door wat ik had gewild en dat ik loog. Ik zou diep in de shit zitten als ze me toch nog eens tegenkwam, maar ik heb best die kans. Ik ben gewoon de hele tijd angstig om niets. En er is niemand die weet wat ik toen heb meegemaakt en wat ik überhaupt doormaak deze tijd, niemand. Iedereen denkt maar dat het slecht gaat op school, omdat ik gewoon niets doe. Nou, daar heb ik een reden voor, een goede.
Zomaar iemand (14) | 2 nov 2011, 16:30 uur
